![]() |
![]() |
|||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||
|
|
ToesprakenToespraak van de heer Iñigo Méndez de Vigo (EVP-ED, Spanje), Voorzitter van de delegatie van het Europees Parlement bij de Conventie over de toekomst van de Europese Unie, Lid van het Praesidium van de Conventie, in het Europees Parlement, op dinsdag, 4 mei 2004 Hulde aan Jean Monnet en herdenking van de 20ste verjaardag van het ontwerp van het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie (1984 - Rapporteur: Altiero Spinelli) Méndez de Vigo (EVP-ED). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, mijn fractie is bijzonder ingenomen met het initiatief om hier vandaag Monnet en Spinelli te herdenken. Zonder Monnet, de grote inspirator achter de schermen, zou de Verklaring van 9 mei 1950 immers niet zijn wat ze is: de oprichtingsakte van de Europese integratie. Zonder deze Verklaring zou de Frans-Duitse verzoening zijn uitgebleven en zou het onmogelijk zijn geweest om de Europeanen te herenigen. Zonder inzet voor de totstandkoming van een feitelijke solidariteit zou de interne markt, die de aanloop is tot de politieke unie, er niet gekomen zijn. Zonder de institutionele visie van Monnet, en met name de nadruk op de wezenlijke rol die voor de Europese Commissie is weggelegd, zouden wij er niet in zijn geslaagd om ons te bevrijden uit het strakke keurslijf van de intergouvernementele samenwerking. Twintig jaar geleden - het is hier al gesignaleerd - heeft het eerste, democratisch gekozen Parlement het Verdrag aangenomen dat, naar de naam van zijn rapporteur, als het "Spinelli-verdrag" bekendstaat. Dat verdrag heeft bij alle herzieningen een sleutelrol gespeeld: bij de Europese Akte, bij de Verdragen van Maastricht, Amsterdam en Nice en uiteraard ook bij het verdrag dat de Conventie heeft opgesteld. Als voorzitter van de delegatie van het Europees Parlement in de Conventie - hetgeen voor mij een ware eer was - had ik het Spinelli-ontwerp de hele tijd naast me liggen. Ik vroeg mij voortdurend af: "Wat zou Spinelli hierover zeggen?" Ik moet toegeven dat zijn inmiddels toch al twintig jaar oude verdrag nog bijzonder actueel is. Vele van zijn voorstellen zijn dan ook overgenomen in het constitutioneel verdrag. Mijnheer de Voorzitter, er is iets dat Monnet en Spinelli bindt: zij wilden allebei mensen verenigen. "Laten wij de mensen verenigen", zei Monnet. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het "Spinelli-verdrag" vergeven is van verwijzingen naar de burgers, naar de mensen. Ik denk dat zij allebei trots zouden zijn - mijn vriend Dick Roche zei het ook al - op hetgeen wij in de afgelopen jaren hebben verwezenlijkt. Het ontwerp van het constitutionele verdrag is immers een tekst voor mensen. Dat blijkt al meteen uit het eerste artikel, waarin sprake is van een unie van staten en burgers. Andere voorbeelden zijn de toekenning aan het Europees Parlement van volwaardige bevoegdheden op het gebied van wetgeving en politieke controle en de rechtstreekse betrokkenheid van de nationale parlementen via het mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing. Ook het burgerinitiatief en de erkenning van de rol van de regio’s, gemeenten en niet-gouvernementele organisaties zijn in het belang van de mensen. Gedurende vijftig jaar hebben wij ons gewijd aan hetgeen zowel Monnet als Spinelli ons hebben opgedragen: wij hebben mensen verenigd. Staat u mij nu een kleine ontboezeming toe: de keren dat ik als kind, ten tijde van Monnet en Spinelli, mijn land verliet - dat in de gedichten van Gil de Biedma als " oud en inefficiënt" werd bestempeld - zag ik een Europa vol muren, de muur van Berlijn, de muur van de Pyreneeën, de muur van de dictaturen, de muur van de egoïsmen en de muur van de nationalismen. Het Europa van vandaag, het Europa dat mijn dochter ziet, is, op enige uitzonderingen na, een Europa zonder muren, en de weinige muren die nog overblijven, zullen spoedig omvallen. Wij zijn getuige geweest van een prachtige uitbreiding: de twee Europa’s zijn weer aan elkaar genaaid en het proces dat in de Verklaring van 9 mei wordt genoemd, is werkelijkheid geworden. Aan de nieuwe landen van de Europese Unie wil ik zeggen dat ik hoop dat zij net zo van hun toetreding zullen genieten als wij, Spanjaarden, destijds hebben gedaan, met het vooruitzicht op vrijheid, welvaart en vooral ook participatie in een gemeenschappelijk project. Mijnheer de Voorzitter, wij, politici, spreken graag over de toekomst. De strijd is nog niet gestreden en er zullen - althans in mijn ogen - zeker nog obstakels uit de weg moeten worden geruimd, maar vandaag hebben wij nagedacht over het verleden, over Monnet en Spinelli. Nu zou ik u willen verzoeken om van het heden te genieten, met name van de schoonheid van het huidige moment. Wellicht stonden Monnet en Spinelli destijds bekend als utopisten, maar inmiddels is duidelijk gebleken dat hun utopie niets anders was dan een premature waarheid, zoals Lamartine terecht in een van zijn verzen schrijft. De wisselvalligheden van het leven zorgen ervoor dat de realiteit vaak nog mooier is dan de literatuur. Daarom ben ik van oordeel dat wij vandaag met volle teugen moeten genieten van dit heuglijke moment. Het Grote Europa is een realiteit. Terwijl ik op deze mooie ochtend hierheen liep, schoot mij de anekdote van Johann Wolfgang von Goethe in Balmy te binnen, toen hij plots ging staan voor een groep mensen en, als van een vreemde kracht bezeten, de volgende woorden sprak: "Dit is een historisch moment, het leven zal nooit meer zijn zoals voorheen en jullie zullen kunnen zeggen: wij waren erbij." (Applaus) |
|
||||||||||||||||||||||||