![]() |
![]() |
|||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||
|
|
ToesprakenToespraak van de heer Hans-Gert Poettering
Voorzitter van de EVP-ED-Fractie in het Europees Parlement op woensdag, 6 februari 2002 Verklaring van de Voorzitter van het Europees Parlement Poettering (EVP-ED). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, beste collega's, wij hadden al op 15 januari de gelegenheid, mijnheer de Voorzitter, om u met deze functie geluk te wensen. Dat wil ik vanaf deze plek nogmaals doen. Vooral wil ik u namens mijn fractie gelukwensen met de manier waarop u zojuist heeft gesproken. Daar hebben wij waardering voor. Uit uw rede proefden wij dat u het Voorzitterschap niet beschouwt als een representatieve functie, maar het beleid dat wij hier in het Europees Parlement kunnen voeren, een warm hart toedraagt. Zo is het in ieder geval bij ons overgekomen. Daarvoor willen wij u hartelijk danken, en wij hopen dat u de komende tweeënhalf jaar in deze geest zult kunnen doorwerken. Mijnheer de Voorzitter, tot mijn grote vreugde sprak u zich ervoor uit om na de ondertekening van de toetredingsverdragen waarnemers uit de kandidaat-lidstaten uit te nodigen bij het Europees Parlement en onze fracties. Dat lijkt mij een uitstekend idee waarvoor wij als Fractie van de Europese Volkspartij al lange tijd pleiten. Wij dienen namelijk duidelijk te maken dat het politieke debat niet mag worden beheerst door de vraag wanneer de kandidaat-lidstaten voor volledige landbouwhulp in aanmerking komen, of wanneer aan bepaalde andere voorwaarden dient te zijn voldaan. Nee, wij moeten de mensen in de kandidaat-lidstaten nu duidelijk maken dat zij welkom zijn in onze waardengemeenschap. Daarom ontvangen wij in het Europees Parlement binnenkort ook afgevaardigden van de nationale parlementen als waarnemers, als deelnemers aan de discussies, als persoonlijkheden met wie wij over de toekomst van Europa beraadslagen. U kunt rekenen op onze steun als u dit binnenkort ook formeel middels besluiten ten uitvoer legt. Terecht heeft u gesproken over het strategisch partnerschap in het Middellandse-Zeegebied. In dat verband maakte u gewag van de mensenrechten. Nu is het geen kunst om in dit Parlement heel abstract te spreken over mensenrechten. Wij hebben de afgelopen maanden over terrorisme gesproken. Mijn fractie is een groot voorstander van de bestrijding van het terrorisme. Maar wij moeteen in de weken, maanden en jaren die voor ons liggen oppassen dat wij in naam van de terrorismebestrijding geen schendingen van de mensenrechten toelaten. (Applaus) Dat wil zeggen dat wij onze stem moeten laten horen als er mensenrechten worden geschonden. Ik noem een heel concreet voorbeeld: Tsjetsjenië. Wij mogen onze ogen niet sluiten voor wat er in Tsjetsjenië gebeurt, alleen omdat wij het terrorisme willen tegengaan. Dat mogen wij niet toestaan! (Applaus) U heeft gesproken over het interinstitutionele evenwicht. Ik zie met lede ogen aan dat enkele regeringen, om welke reden dan ook, momenteel pogingen doen om de functie van de Europese Commissie als hoedster van de Verdragen te beknotten. Wij zullen wij niet toestaan dat de rechten en bevoegdheden van deze zo belangrijke communautaire instelling, de Commissie, worden aangetast, ook indien wij daarmee de regeringen van onze eigen politieke gezindheid tegen ons in het harnas jagen. De Commissie is de hoedster van de Verdragen! Wij moedigen u aan op deze weg voort te gaan, mevrouw de vice-voorzitter Loyola de Palacio! Wij staan aan uw kant. Over de Conventie doen veel geruchten de ronde. Vanmiddag zullen we er nog met de Voorzitter over spreken. Ik denk dat wij van meet af aan de indruk moeten tegengaan dat niet de Conventie de hoofdrol mag spelen. Wij hebben een presidium, en in het presidium bekleden drie personen een bijzondere functie: de voorzitter en de twee ondervoorzitters. Voor de Conventie moet er een duidelijke werkwijze komen. Dat is de nieuwe methode waarover u heeft gesproken. Er moet op transparante en openbare wijze worden gewerkt. Daarom moet de Conventie als geheel centraal staan in de activiteiten. Het werk kan niet aan het presidium of aan de drie voorzitters - de voorzitter en de twee ondervoorzitters - worden gedelegeerd. Dat het presidium een leidende rol vervult, is duidelijk, maar het werkschema - dat ook moet bepalen hoe vaak de Conventie bijeenkomt - dient zo te zijn dat de Conventie het debat over de toekomst van Europa voert. Wat de door u genoemde kwestie van het Statuut betreft, is onze fractie voorstander van de vaststelling van een Statuut van de leden, maar wij zeggen ook: de onafhankelijkheid van de leden, de integriteit en de waardigheid van de leden dienen te worden gewaarborgd. Wettelijk gezien zijn wij degenen die het Statuut van de leden opstellen, en niet de Raad! Het is dus niet de bedoeling dat wij ons beperken tot het goedkeuren van de voorstellen van de Raad, maar dat wij degenen zijn die de voorstellen op tafel leggen om vervolgens met de Raad tot een eindresultaat te komen. Mijnheer de Voorzitter, staat u mij toe nog een laatste opmerking te maken. U heeft zojuist het verslag van collega Karl von Wogau over de tenuitvoerlegging van de wetgeving inzake financiële diensten en het verslag-Lamfalussy aangestipt, waarover wij gisteren hebben gestemd. Ik meen - en dat zeg ik ook aan het adres van de Raad, mijnheer Ramon de Miguel - dat dat een mooi moment was voor de drie instellingen: voor de Commissie, de Raad en het Parlement. Als wij onze taak voortaan zo opvatten, dan zullen wij iets bereiken. Daarbij gaat het er niet om wie er het meeste bereikt, de Raad, de Commissie of wij als Parlement. Nee, wij hebben de taak om dit Europa samen vooruit te helpen. Uw toespraak, mijnheer de Voorzitter, stond in het teken van deze geest. Wij staan aan uw kant en moedigen u aan hetgeen u vandaag heeft gezegd consequent en met volledige inzet te realiseren gedurende de tweeënhalf jaar van uw voorzitterschap. (Applaus) |
|
||||||||||||||||||||||||